geschiedenis

De oorsprong van de Evangelische Broedergemeente ligt in het voormalige Tsjechoslowakije, namelijk in Moravië en Bohemen. In de 15e eeuw ontstond daar, na de reformatie, een nieuwe kerk, die als voorloper beschouwd kan worden van de Reformatie. Laatste bisschop van de reformatie was de beroemde theoloog en pedagoog Jan Amos Komensky (Comenius) die in 1670 in Amsterdam overleed en in Naarden begraven ligt.

In de 18e eeuw waren er nog enkele volgelingen over die leefden in het grensgebied tussen Saksen (Duitsland) en Moravië (Tsjechië). Dezen werden streng vervolg. Een aantal gezinnen vluchten toen naar Saksen waar zij zich mochten vestigen op het landgoed van Graaf Nikolaus Ludwig von Zinzendorf. Hier ontstond in 1722 de nederzetting Herrnhut, die uitgroeide tot de hernieuwde Broederuniteit of Evangelische Broedergemeente. Vanuit Herrnhut werden op diverse plaatsen in Europa Broedergemeenten gesticht.

Snel na het ontstaan van de Broederuniteit trokken de eerste zendelingen de wereld over om het evangelie te verkondigen. In tegenstelling tot Europa groeiden deze zendingsposten uit tot ware volkskerken zoals bijvoorbeeld in Suriname en Tanzania.

Om ook in Indië het Evangelie te kunnen verkondigen, vestigden de Herrnhuters zich ook in Nederland. Hier ontmoetten ze enkele doopsgezinden die zich tot de Broedergemeente aangetrokken voelden. Toen Zinzendorf in 1736 naar Nederland kwam, sloten deze doopsgezinden zich bij de Broedergemeente aan. Zij maakten het mogelijk dat de Broedergemeente zich in Zeist kon vestigen en gingen er zelf ook wonen. In 1745 kregen de Herrnhutters toestemming van de Heer van Zeist, Cornelis Schellinger, om zich in de tuinen van Slot Zeist te vestigen, waar vervolgens het Broeder- en Zusterplein ontstonden.